SO - buiten Vlaanderen: Onderwijs in Nederland

Leerplicht

Kinderen ‘mogen’ naar school vanaf 4-jaar.
De volledige leerplicht geldt van 5 (start op de 1ste dag van de maand na de 5de verjaardag) tot en met 16 jaar. Hierna is er een deeltijdse leerplicht tot en met 18 jaar.


Scholen

Er zijn ‘openbare’ en ‘bijzondere’ scholen.
Ongeveer 1/3 van de kinderen gaat naar een openbare school.
Deze staat open voor kinderen van iedere godsdienst of levensbeschouwing.
De meeste kinderen gaan naar een bijzondere school (2/3).
Hier krijgt een kind les vanuit een godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging; bv. rooms-katholieke, protestants-christelijke, joodse, ...
Maar er zijn ook bijzondere scholen waar het onderwijs niet is gebaseerd op een godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, maar op een bepaalde pedagogische opvatting.
Er zijn ook scholen voor speciaal onderwijs voor kinderen die speciale ondersteuning nodig hebben.


Voorschools onderwijs

In de Peuterspeelzaal kunnen kinderen van 2 of 3 jaar enkele uren per week onder leiding verblijven.


Basisonderwijs

Regulier Onderwijs
Bedoeld voor kinderen van 4 tot 12 jaar: het eerste jaar valt nog niet onder de leerplicht.

Speciaal Onderwijs (SO)
Het speciaal onderwijs is voor kinderen die vanwege leer- of gedragsproblemen, lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicaps of door gedragsstoornissen extra zorg op school nodig hebben.
Deze scholen zijn er in vier clusters:

  • Cluster 1: visueel gehandicapte of meervoudig gehandicapte kinderen met een visuele handicap.
  • Cluster 2: dove of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden of meervoudig gehandicapte kinderen die één van deze handicaps hebben.
  • Cluster 3: lichamelijk gehandicapte kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK) en langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, of meervoudig gehandicapte kinderen die één van deze handicaps hebben.
  • Cluster 4: zeer moeilijk opvoedbare kinderen, Z.M.O.K., langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap en kinderen in scholen met aan pedologische instituten.

Voor deze kinderen is er ook voortgezet speciaal onderwijs. Dit kan gevolgd worden tot de leeftijd van 20.

Een aparte categorie vormt het speciaal basisonderwijs. Wettelijk gezien is dit ook regulier onderwijs.
Het is voor kinderen die het op een reguliere basisschool niet redden.
Kinderen op deze sbo-scholen dienen na het verlaten van de school dezelfde basiskennis behaald te hebben als kinderen die op een gewone basisschool gezeten hebben, maar ze mogen daar wel langer over doen.
Dit kan uitlopen kan tot 14 jaar.


In Nederland ga je na de basisschool naar het Voortgezet Onderwijs. Je kan kiezen tussen:

  • praktijkonderwijs
  • vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, inclusief mavo)
  • havo (hoger algemeen voortgezet onderwijs)
  • vwo (voorbereidend wetenschappelijk onderwijs)

Welke school je ook kiest, in de eerste leerjaren (de onderbouw) van al deze schoolsoorten leren alle leerlingen ongeveer hetzelfde.
Daarna komen er grote verschillen.


Praktijkonderwijs

De individuele behoefte van elke leerling staat voorop en daardoor zijn de lessen aangepast aan elke individuele leerling en niet aan een algemeen opgelegd programma.

Toelating?
Ouder zijn dan 12 jaar en een ‘indicatie’ hebben voor het praktijkonderwijs.
Een indicatie is een verwijzing van een Regionale Verwijzingscommissie (RVC’s); zij beslissen op basis van landelijk vastgestelde criteria over toelating.


VMBO

Het Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs bestaat uit ‘leerwegen’.
Dit is de route die een leerling volgt na de onderbouw.
De vier leerwegen, die allen leiden naar het mbo zijn:

  • de basisberoepsgerichte leerweg
  • de kaderberoepsgerichte leerweg
  • de gemengde leerweg
  • de theoretische leerweg

1. De Basisberoepsgerichte Leerweg (VMBO-BL) 
Deze bereidt voor op de basisberoepsopleidingen (niveau 2) van het mbo.
Binnen de basisberoepsgerichte leerweg bestaan verschillende maatwerktrajecten:het leerwerktraject en de assistentopleiding.

2. De Kaderberoepsgerichte Leerweg (VMBO-KL) 
Deze richt zich op de praktijk en bereidt de leerlingen voor op de vak- en middenkaderopleidingen (niveau 2 of 3) van het mbo.

3. De Gemengde Leerweg (VMBO-GL) 
Deze leerweg ligt qua niveau dicht bij de theoretische leerweg en bereidt de leerlingen voor op de vak- en middenkaderopleidingen (niveau 3 of 4) van het mbo.
Ook met een diploma van de gemengde leerweg kan een leerling naar het havo.

4. De Theoretische Leerweg (VMBO-TL) 
Deze leerweg is voor wie wil doorstuderen zonder al een specifiek beroep voor ogen te hebben.
Er worden algemeen vormende vakken gegeven , geen beroepsgerichte vakken.
Een diploma van de theoretische leerweg geeft toegang tot vakopleidingen (niveau 3) en middenkaderopleidingen (niveau 4) van het mbo.
Met een diploma van de theoretische leerweg kan je ook naar het havo.

Sectoren VMBO
Binnen elke van de 4 leerwegen bestaan 5 sectoren met samenhangende vakkenpakketten, om te voorkomen dat een vakkenpakket niet aansluit op de vervolgopleidingen.
In de keuze voor een pakket komt de mate van affiniteit met een toekomstige beroepensector tot uiting; leerlingen kiezen op zijn vroegst aan het eind van het tweede leerjaar voor één van de vijf sectoren.

  1. Economie
  2. Landbouw
  3. Techniek
  4. Zorg en Welzijn
  5. Intersectoraal (= combinatie van verschillende sectoren)

In het vmbo is er een ‘zorgstructuur’.
Het doel is dat zoveel mogelijk leerlingen hun leerweg met een diploma afsluiten.
De meesten kunnen dat op eigen kracht.
Sommigen hebben tijdelijk extra ondersteuning nodig en voor hen is er het ‘leerwegondersteunend onderwijs (lwoo)’.
Leerlingen krijgen dan extra (orthodidactische of orthopedagogische) hulp.


HAVO en VWO

HAVO en VWO hebben een gemeenschappelijke basisvorming van drie jaar.
Dan kiest de leerling tussen havo en vwo.
Ook een doorstroming naar een vak- of middenkaderopleiding van het mbo is nog mogelijk.
Het programma van het havo duurt daarna nog 2 jaar (totaal dus 5 jaar) en bereidt leerlingen voor op het volgen van een opleiding in het hoger beroepsonderwijs.

Toelating?
Groep 8 van het Basisonderwijs met succes hebben voltooid en voldoen aan de criteria van de CITO-toetsen.

Het vwo duurt 3 jaar na de gemeenschappelijke basis (totaal 6 jaar) en is vooral bedoeld als voorbereiding op het wo (wetenschappelijk onderwijs).
Tot het vwo behoren het ‘atheneum’ en het ‘gymnasium’.
Op het gymnasium krijgen alle leerlingen Grieks en Latijn in de onderbouw en Grieks en/of Latijn in de bovenbouw.
Op het atheneum wordt soms Latijn gegeven als keuzevak.
In het HAVO en VWO zijn er 4 profielen.
Een profiel bestaat uit een onderwijsprogramma dat de leerling voorbereidt op een opleiding aan een hogeschool (hbo) of universiteit (wo).
De profielen zijn:

  1. Natuur & Techniek: wiskunde - natuurkunde - scheikunde.
  2. Natuur & Gezondheid: wiskunde - natuurkunde - scheikunde - biologie.
  3. Economie & Maatschappij: economie - wiskunde - geschiedenis - aardrijkskunde.
  4. Cultuur & Maatschappij: moderne vreemde taal of Latijnse taal- en letterkunde of Griekse taal en letterkunde - moderne taal of klassieke taal of filosofie - culturele en kunstzinnige vorming - geschiedenis - wiskunde.

Elk profiel heeft een gemeenschappelijk deel, dat voor alle profielen gelijk is.
Daarnaast is er een profieldeel dat elk van de profielen kenmerkt.
Ten slotte is er een vrij deel.
Deze vrije ruimte kan je gebruiken om vakken te volgen uit een ander profieldeel.


MBO (Middelbaar Beroeps Onderwijs)

Het MBO behoort tot de tweede fase van het voortgezet onderwijs, duurt vier jaar en is bedoeld voor leerlingen van zestien tot twintig jaar.
Er worden zowel algemene als beroepsgerichte vakken gegeven.
In het MBO stromen leerlingen door naar een baan of naar het hoger beroepsonderwijs (hbo).
Het mbo leidt vooral op tot functies bij overheid, handel en industrie (vb. filiaalchef, afdelingschef, onderofficier..). 

Opgelet: Het MBO is in Vlaanderen te vergelijken met het technisch onderwijs
Het MBO is verdeeld in 4 opleidingsniveaus en 2 leerwegen.
De opleidingsniveaus zijn:

  1. Assistentenkwalificatie is het laagste niveau:
    Het gaat hierbij om het uitvoeren van eenvoudige werkzaamheden, die betrekking hebben op het toepassen van geautomatiseerde routines en standaardprocedures.
    Duur: een half of 1 jaar.
  2. Basisberoepskwalificatie:
    De opleidingen zijn gericht op meer gecompliceerde routines en standaardprocedures.
    Duur: 2 of 3 jaar.
  3. Vakkwalificatie: 
    Een vakfunctionaris voert de werkzaamheden volledig zelfstandig uit.
    Duur: 2-4 jaar.
  4. Middenkaderkwalificatie
    omvat de opleidingen tot (Midden)kaderfunctionaris (duur: 3 of 4 jaar) en Specialist (duur: 1 of 2 jaar).
    Dit 4e niveau sluit veelal aan op het Hoger Onderwijs.

Binnen elk niveau zijn er twee leerwegen:

  1. de BeroepsOpleidende Leerweg (BOL): dagopleiding
  2. de BeroepsBegeleidende Leerweg (BBL): deeltijdopleiding.

Schoolkeuze in de praktijk
In principe is er een vrije schoolkeuze.
In de praktijk wordt de keuze beperkt door het advies van de basisschool (mede gebaseerd op de uitslag van de Citotoets) en de toelatingseisen voor het vmbo, havo en vwo.
Daarnaast kunnen de keuzemogelijkheden beperkt worden door voorwaarden die een school stelt vanuit de optiek van levensbeschouwing of godsdienst.
Bij het bepalen welke school het meest geschikt is, zijn er twee bepalende factoren:

  • het advies van de basisschool;
  • de toelatingseisen bij de theoretische leerweg van het vmbo en het havo en vwo.

De directeur en de groepsleraar van groep 8 van de basisschool geven, na overleg met het team, in de loop van het laatste basisschooljaar een schooladvies (officieel: het onderwijskundig rapport).
Vaak baseert de basisschool het advies op de eindtoetsen die door veel scholen worden afgenomen, zoals de Cito-toets.
Maar dat is zeker niet het enige.
Ook de andere leerprestaties, interesse en motivatie wegen mee.
Op grond van deze gegevens schat de school het passende niveau in.
Als de basisschool vindt dat de leerling leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs nodig heeft, is een indicatiestelling nodig.
Alle basisscholen moeten wettelijk het schooladvies voor de ouders en leerlingen op papier zetten.


Het hoger onderwijs omvat het 
- hoger beroepsonderwijs (hbo)
- en het wetenschappelijk onderwijs (wo).
Aan een universiteit staat de wetenschap centraal, aan een hbo-school worden studenten voor een hoger beroep opgeleid.

- Om tot een (Professionele of Academische) bachelor in België (Hogeschoolonderwijs in Nederland) te worden toegelaten heb je een MBO-4, VWO-diploma of HBO-Propedeuse nodig als vooropleiding. Je HAVO-diploma is niet voldoende. Maar als je als HAVO-student eerst je propedeuse haalt in Nederland, kan je wel starten.
- Om tot een universiteit toegelaten te worden, moet je een vVWO-diploma hebben of Propedeuse. Voor sommige studierichtingen wordt ook een hbo-diploma aanvaard.
Een universitaire studie duurt meestal 4 jaar en omvat twee fasen: propedeuse en doctoraal.
Na het doctoraalexamen mag de afgestudeerde zich "doctorandus" (drs.) noemen,
na een afgesloten studie rechten is men "meester" (mr.) en
afgestudeerden aan een technische universiteit krijgen de titel "ingenieur" (ir.).

Studeren is in Nederland niet gratis, per studiejaar moeten studenten collegegeld betalen.
De overheid voorziet wel in studiebeurzen voor studenten.
Het hoger onderwijs is sinds het Bologna-akkoord hervormd tot een bachelor-masterstructuur.

1 studiepunt in Nederland wordt gelijk gesteld aan 28 uur studiebelasting.


HBO (Hoger Beroeps Onderwijs)

Het aanbod van onderwijs in de 1e fase van het HBO wordt verdeeld in verschillende sectoren:

  1. Hoger Pedagogisch Onderwijs
  2. Hoger Agrarisch Onderwijs
  3. Hoger Technisch en Natuurwetenschappelijk Onderwijs
  4. Hoger Gezondheidszorgonderwijs
  5. Hoger Economisch Onderwijs
  6. Hoger Sociaal-agogisch Onderwijs
  7. Kunstonderwijs.

Er zijn ook samengestelde programma’s mogelijk die je kunt samenstellen uit onderdelen die de hogeschool verzorgt.

Toelating?
Diploma Havo of MBO-niveau 4, vaak met bepaalde vakkenpakketten vereist.

De studieomvang is 240 stp. (4 jaar) voor het voltijd- en deeltijdonderwijs.
Studieduurverkorting kan onder bepaalde voorwaarden.
Een aantal hogescholen heeft ook zogenoemde Co-op-opleidingen (Coöperatieve opvoeding).
Het 1e jaar is voltijds, waarna 3,5 jaar afwisselend een half jaar gewerkt en een half jaar gestudeerd wordt.


WO (Wetenschappelijk Onderwijs)

De opleidingen zijn ondergebracht in faculteiten.
De studieomvang van een WO-bachelor bedraag 180 stp.

Toelating?

  • diploma VWO.
    Voor sommige opleidingen worden bepaalde vakken in het eindexamenpakket van het VWO of bepaalde profielen vereist.
  • 1e jaar HBO geslaagd (bevorderingsverklaring of Propedeuse);
  • Een colloquium doctum (d.w.z. een toelatingsonderzoek voor degenen die niet voldoen aan de normaal gestelde eisen, maar wel het niveau bezitten om zich te kunnen voorbereiden op de academische examens) kan voor personen die 21 jaar of ouder zijn.
    Voor enkele opleidingen geldt een numerus fixus (beperking tot een vastgesteld aantal kandidaten). De instellingen kunnen hier hun eigen selectiemaatregelen toepassen.

Studieopbouw: 
De Bachelor duurt 3 jaar en is academisch georiënteerd.
De Master duurt 1 of 2 jaar.
Na voltooiing van de Master kan men worden toegelaten tot de functie van Assistent-In-Opleiding (AIO) en van Onderzoekers-In-Opleiding (OIO), beide met een 4-jarige studieduur; deze opleidingen geven gelegenheid om te promoveren.
De universitaire opleiding wordt afgerond met een doctoraal examen.


Informatieve websites:

http://www.nuffic.nl 
http://www.rijksoverheid.nl
http://www.vsnu.nl
http://www.hbo-raad.nl
http://www.idw.nl 
http://studie-keuze-advies.nl/
http://www.studieinfo.nl 
http://www.tkmst.nl/#study
https://www.duo.nl/particulier/
https://www.studiekeuze123.nl/
http://www.nationalevacaturebank.nl
https://www.startstuderen.nl/
http://www.beslist.nl/info/studeren_buitenland.html
http://www.icares.com


Organisatie hoger onderwijs:

Het collegejaar
In Nederland begint het academiejaar in september.
Er volgen dan 4 blokken met telkens een tentamen-periode.
De laatste tentamens zijn eind juni en dan zijn er in augustus nog herkansingen.
Je kan zelf plannen wanneer je tentamens maakt voor welke vakken en als je een vakje mist, mag je toch door naar het tweede jaar.
Om uiteindelijke goed te afstuderen moet je wel 6/10 halen voor alle vakken.
Dit redelijk vrije systeem heeft voordelen wanneer je ergens een steekje hebt laten vallen of wegens persoonlijke omstandigheden een tentamen niet hebt kunnen maken.
Het betekent wel dat er goede planning en discipline van je wordt verwacht, anders kan je studie wel erg lang gaan duren.


Studenten moeten zich uiterlijk op 1 mei aanmelden bij Studielink voor de studie van hun keuze.
Zij hebben dan recht op een studiekeuzecheck.
Aanmelding tot en met 1 mei betekent ook recht op toelating tot een andere studie.
Voor een opleiding met een numerus fixus is de uiterste aanmelddatum 15 mei.
Studenten kunnen zich bij Studielink voor maximaal 4 opleidingen aanmelden.
Let op: voor het aanmelden bij Studielink is een DigiD nodig.
Het aanvragen van een DigiD duurt ongeveer 5 dagen.


Numerus fixus

Vanaf 2017-2018 gaan hogescholen en universiteiten zélf studenten voor hun fixusopleidingen selecteren.
Er wordt dan niet meer alleen gekeken naar je gemiddelde eindexamencijfer, maar ook naar je motivatie, persoonlijkheid en eerdere schoolprestaties.
De onderwijsinstelling bepaalt de selectiecriteria.
Sommige opleidingen aan hbo en universiteit hebben een beperkt aantal plaatsen.
De hogeschool of universiteit kan dan een numerus fixus instellen.
Als te veel studenten zich aanmelden voor een opleiding, dan moet je meedoen aan een selectie.
De onderwijsinstelling regelt dat zelf.
DUO doet geen centrale loting meer.


Instellingen voor Hoger onderwijs

Er zijn 2 soorten organisaties die geaccrediteerde opleidingen kunnen verzorgen: de bekostigde instelling en de rechtspersoon voor hoger onderwijs.
-De ‘bekostigde instellingen’ zijn door de overheid erkend en gesubsidieerd; er is een vast collegegeld van om en bij de 1500 euro. Er zijn in Nederland ruim 50 bekostigde hogescholen.
-De instellingen erkend als ‘rechtspersoon voor hoger onderwijs’ zijn door de overheid erkend maar niet gesubsidieerd. Ze bepalen zelf vrij het collegegeld en toelatingsvoorwaarden.
Zij leveren wel erkende diploma’s af.
Nederland telt een zestigtal van dergelijke hogescholen.
Voor deze instellingen gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor de bekostigde onderwijsinstellingen.
-Daarnaast zijn er ook nog een aantal ‘particuliere instellingen’, welke volledig privé zijn en niet erkend door de overheid.


Studiebeurs

Je mag je Vlaamse studietoelage meenemen naar Nederland.
In Nederland ontvangen studenten automatisch een studiefinanciering. Dit geldt niet voor Vlaamse studenten die in Nederland gaan studeren.
Vlaamse studenten kunnen eventueel gedeeltelijk het bedrag van het collegegeld terugvorderen bij de Dienst Uitvoering Onderwijs.
Alle info vind je bij de hogescholen of op 
https://duo.nl.


Op kot in Nederland

Je kan je via de hogeschool of universiteit inschrijven bij de stichtingen voor studentenhuisvesting.
Gezien het tekort aan kamers kan er een flinke wachtlijst zijn.
Info vind je op:
www.kamernet.nl 
www.studentenkamers.nl
www.studentopkamers.nl 
www.kamertje.nl
www.rotsvast.nl
www.kamerhulp.nl
www.studentopkamers.nl
www.goethvastgoed.nl
www.opkamers.nl
www.pararius.nl
www.kamerhuren.nl
www.locanto.nl
www.rooming.nl
www.kamers.nl
www.camelotstudenthousing.com
www.studentenkamers-nederland.nl
www.kamersinnederland.nl


Gelijkwaardigheid Nederlandse diploma’s in Vlaanderen

Voor instroom in het secundair onderwijs vanuit Nederland mag de toelatingsklassenraad van de Vlaamse school beslissen waar de leerling mag starten.

De Nederlandse graad van bachelor, master of  doctor  is gelijkwaardig aan een Vlaamse graad van bachelor, master of  doctor.
Voor deze niveaugelijkwaardigheid moet geen aanvraag ingediend worden.
Men kan indien nodig een ‘volledige gelijkwaardigheid’ aanvragen met een specifieke Vlaamse graad. 
Dit levert problemen voor 2 richtingen:

Psychologie
In het kader van de erkenningprocedures wordt voor de Nederlandse masterdiploma's Psychologie advies opgevraagd bij de Vlaamse faculteiten Psychologie.
Omwille van de verschillende studieduur en studieomvang en ontbrekende vakken in het curriculum die leiden tot verschillen in de leerresultaten, hebben de faculteiten Psychologie tot nu toe steeds een negatief advies gegeven voor de volledige gelijkwaardigheid met de Vlaamse graad van "Licentiaat in de Psychologie".
Dit “tekort” kan o.a. gecompenseerd worden door een jaar relevante beroepservaring als psycholoog aan te tonen.
U kunt zich ook rechtstreeks wenden tot een Vlaamse faculteit psychologie om de gedeeltelijke gelijkwaardigheid van uw diploma aan te vragen.
De Vlaamse universiteit van uw keuze zal dan nagaan voor welke ontbrekende opleidingsonderdelen u moet slagen om de Vlaamse graad van 'master' in de psychologie’ te behalen. 
Rechtswetenschappen
Ook voor Nederlandse rechtendiploma’s stelt zich een specifiek probleem met betrekking tot de gelijkwaardigheid met een Vlaams diploma van ‘Master in de rechten’.
Buitenlandse juristendiploma’s kunnen in regel niet als volledig gelijkwaardig worden erkend met de graad van master in de rechten uitgereikt in de Vlaamse Gemeenschap.
Het buitenlandse studieprogramma wijkt namelijk inzake nationale wetgeving fundamenteel af van de Vlaamse juristenopleiding.
Om de beoogde gelijkwaardigheid te verkrijgen dient u rechtstreeks contact op te nemen met één van de Vlaamse universiteiten die de juristenopleiding organiseren.
De Vlaamse universiteiten zelf zijn bevoegd om de “gedeeltelijke gelijkwaardigheid” toe te kennen aan een buitenlands juristendiploma en beslissen autonoom over welke vakken en/of studiejaren u met goed gevolg bijkomende examens dient af te leggen om de beoogde academische graad van licentiaat in de rechten te behalen.

Gelijkwaardigheid Vlaamse diploma’s in Nederland.

In januari 2018 is overeen gekomen dat binnen de BENELUX alle diploma's hoger onderwijs automatisch wederzijds worden erkend.